Showing posts with label humor. Show all posts
Showing posts with label humor. Show all posts
Wednesday, March 6, 2013 0 comments

Kort Verhaal - Bericht

PING!
Mijn telefoon trilt in mijn broekzak. Ik haal hem eruit en bekijk het zojuist binnengekomen bericht.
‘O – mijn – god,’ zeg ik tegen mezelf. Het is een e-mail van de uitgeverij waar ik twee maanden geleden mijn manuscript naar heb opgestuurd. Ik open heimelijk het mailtje en lees de inhoud. Mijn hart begint sneller te bonken. Mijn ogen gaan schichtig van links naar rechts terwijl ik de tekst analyseer. Ik kan niet geloven wat hier staat.
Zo snel als ik kan ga ik naar de voordeur en ruk hem open. Ik ren de straat op en blijf midden op straat staan. ‘Mijn boek wordt uitgegeven!’ gil ik. Een aantal mensen om me heen kijken me met een frons aan, anderen glimlachen naar me, maar lopen gewoon door. Ik zie er vast als een malloot uit, maar het interesseert me niets. Mijn eeuwige wens gaat in vervulling. Ik zal straks een echte auteur zijn.
Ik ren weer naar binnen en sla de deur achter me dicht. Met mijn mobiel nog in mijn hand, sjees ik de trap op naar mijn werkkamer om daar achter de computer te kruipen. Ik ram zo hard op het toetsenbord, dat ik bijna denk dat de toetsen eruit zullen vallen, maar ze zijn het gewend. Ik typ hier elke dag.
Dit nieuws deel ik gelijk met al mijn vrienden en familie. Ik zet het op elke website en email het naar iedereen die ik ken. Daarna stuur ik de uitgeverij een email terug. Daar moet ik even op broeden, want ik heb geen idee wat ik eigenlijk wil zeggen. Het enige dat in me opkomt is: “YES!”. Maar dat is natuurlijk niet zo’n professioneel antwoord.
Terwijl ik typ, rinkelt mijn telefoon. Ik wip kort omhoog van de schrik en stoot er een pot pennen mee van de tafel.
‘Ja?’ vraag ik aarzelend, terwijl ik de pennen van de vloer af raap, me niet realiserend dat ik ben vergeten mijn naam te vertellen.
‘Is dit mevrouw Klodder?’
‘Ja, ja, dat ben ik,’ zeg ik met een gekunsteld lachje.
‘Fantastisch. Ik ben van Koender en Smits Uitgeverij. Ik heb u eindelijk aan de lijn. Ik bel al de hele ochtend.’
‘O, ja? Ik heb niets gehoord.’
‘Misschien had u het geluid uitstaan. Ik bel over uw manuscript. Ik weet dat we u net een mailtje hebben gestuurd, maar eigenlijk wil de uitgever u direct spreken. Bent u morgen beschikbaar voor een afspraak? Dan kunnen we gelijk de overeenkomst doornemen.’
‘Wat?’ Mijn stem fluctueert in toonhoogte. Ik schraap mijn keel. ‘Meent u dat?’ Ik leun achterover op mijn stoel.
‘Ja, hij was zo enthousiast over uw manuscript. Hij zegt dat het een echte kaskraker gaat worden en hij kan niet wachten om met u in zee te gaan.’
‘Wa –’ Ik verlies mijn balans en terwijl ik mijn ogen dichtknijp, val ik met de stoel keihard achterover op de vloer. ‘Au!’
Als ik mijn ogen weer open doe, lig ik nog steeds op de vloer, maar de stoel is verdwenen. Over me heen ligt een deken en mijn hoofd bonkt. Ik duw mezelf omhoog met mijn ellebogen en zie dan dat mijn benen omhoog liggen. Ik lig nog half in bed en ben er met mijn bovenlichaam uit gedonderd. Ik help mezelf overeind en gooi de deken van me af. Nou, mooie droom was dat. Te goed om waar te zijn. Waarom heb ik dat altijd?
Ik wrijf over mijn pijnlijke bult, rek me uit en gaap een keertje, voor ik mijn sloffen aantrek en mijn slaapkamer uit strompel. Ik loop naar mijn werkkamer en klik op het knopje van mijn computer. Al gapend wacht ik hij klaar is met opstarten en bekijk mijn inbox. Nul gemiste berichten. Dat dacht ik al.
Ik zet hem weer uit en loop de trap af. Schuifelend over de vloer ga ik naar de keuken en zet ik voor mezelf een flinke bak koffie. Miauw, mijn kat, praat alweer veelvuldig met me, vandaar zijn naam. Ik sjok naar de voordeur om hem naar buiten te laten en wanneer ik de deur weer dichtdoe, blijft mijn blik hangen op iets nieuws. Ik knipper een paar keer en staar ernaar met een open mond. In mijn brievenbus zit een envelop met daarop het embleem van Koender en Smits Uitgeverij. Misschien dat mijn eeuwige wens toch nog in vervulling gaat.
Thursday, January 31, 2013 0 comments

Kort Verhaal - Ongewenste intimiteit

De baby blijft huilen. Hilde haalt Rick uit zijn wiegje en zet hem in de kinderstoel.
‘Stil maar,’ zegt ze, terwijl ze zijn slabbetje omdoet. Ze loopt naar de magnetron en haalt het potje warme babyvoeding eruit. Even proeft ze of het de juiste temperatuur heeft, daarna pakt ze een lepel en loopt terug naar Rick.
‘Mama, ik verveel me,’ zegt Wendy die zit te wiebelen in haar stoel.
Hilde zucht en zet het potje op tafel, terwijl de baby weer begint te jammeren. Ze loopt naar de kast, haalt er een rode én een groene stift uit en een A4tje.
‘Hier, ga maar tekenen,’ zegt Hilde. ‘Mama is nu even druk.’
Wendy haalt haar schouders op en loopt naar de koffietafel.
Het is voor Hilde niet gemakkelijk. Sinds ze pleegouder van baby Rick is geworden, heeft ze geen tijd meer voor zichzelf. De klusjes blijven liggen, haar biologische dochter Wendy krijgt niet genoeg aandacht en Rick moet altijd worden verzorgd. Haar man Tom is nog op zijn werk en kan haar onmogelijk helpen.
Hilde pakt het potje babyvoedsel en voert de baby hap voor hap. Alles komt onder te zitten. Gelukkig is Wendy nu bezig, dus heeft Hilde wel even tijd om het op te ruimen. Nadat ze Rick in de babybox heeft gezet, veegt ze met een doekje langs de tafel. Haar rug doet nu al pijn, maar er is nog veel te doen. Tijd om te dweilen.
Ze pakt de mop, vult een bak met water en gooit er schoonmaakmiddel bij. Eerst Wendy’s kamer maar, want die heeft Hilde vanmorgen nog opgeruimd. Als ze eenmaal begonnen is, staat Wendy plotseling achter haar.
‘Mama, kijk eens! Mooi, hè?’ Ze laat de tekening aan Hilde zien.
‘Ja, mooi hoor. Hang maar aan de koelkast,’ zegt Hilde. Na nog geen tien seconden is Wendy alweer terug.
‘Mama, maar wat moet ik nu doen?’
‘Zoek maar wat om te spelen,’ antwoordt Hilde. Ze heeft het eigenlijk veel te druk om Wendy te vermaken en alles kost zo ongelooflijk veel tijd.
Wendy wil naar voren lopen, haar kamer in, maar Hilde houdt haar tegen. ‘Nee, dat kan niet. Mama is nu aan het dweilen. Er mag niet in je kamer worden gelopen.’
Wendy kijkt sip.
‘Nou, ga maar naar mijn kamer dan. Ga daar maar even spelen.’ Hilde ziet Wendy’s gezichtje gelijk opfleuren. Misschien dat het haar even bezig houdt. Hilde dweilt ondertussen Wendy’s kamer.
‘Schat, ik ben thuis!’ roept een stem. Het is Tom. Eindelijk is hij thuis. Gelukkig nog op tijd ook, want zo meteen komt de maatschappelijk werkster om te kijken hoe het met Rick gaat.
‘Fijn,’ roept Hilde. Op dat moment wordt er aangebeld.‘O, schat, wil jij even open doen?’ Hilde probeert zo snel mogelijk alle rommel van het dweilen op te ruimen. Het moet er zo schoon mogelijk uit zien.
‘Goedemiddag.’ Hoort Hilde iemand zeggen. Ze fatsoeneert haar haren en trekt haar kleding recht. Dan loopt ze naar de woonkamer.
‘Hallo,’ zegt Hilde en ze stelt zich voor. ‘Gaat u zitten.’
‘Wilt u een bakje koffie?’ vraagt Tom ondertussen.
‘Nee, dank u,’ zegt de medewerkster. Hilde komt tegenover haar op de bank zitten, terwijl Tom wat koffie voor zichzelf maakt.
‘En, hoe gaat het met de baby?’ vraagt de vrouw.
‘Ja, goed. Niets bijzonders,’ zegt Hilde met een gekunsteld lachje. De vrouw stelt hen meerdere vragen over het huishouden en de baby. Telkens als Hilde of Tom antwoord geven, knikt de vrouw alleen maar en maakt geluidjes die voor Hilde niet goed noch slecht klinken. Ondertussen schrijft de vrouw van alles op haar formulier.
‘En hoe gaat het met Wendy? Kan ze goed overweg met de veranderingen?’ vraagt ze.
Hilde was helemaal vergeten dat Wendy in hun slaapkamer aan het spelen was.
Opeens wordt het gezicht van de vrouw bleek en worden haar pupillen groot. Ze laat een pen uit haar hand vallen. De koffie die Tom aan het drinken was, giet hij, in plaats van in zijn mond, plompverloren over zijn shirt van schrik.
Wendy is net de kamer uitgelopen en vraagt: ‘Mama, wat is dit? Het lag onder je bed.’
In haar handen houdt ze met rode veertjes en zachte stof bekleedde handboeien.



Nog meer leuke verhalen lezen? Kijk dan hier: Lijst met berichten
Thursday, November 29, 2012 0 comments

Kort Verhaal - Stormloop van de kuddestudenten [NL]


Studenten. Het is een apart volk. Hoewel ik er zelf ook deel van uit maak, voel ik me niet als een “echte student”. Studenten hebben zo hun eigenaardigheden, zoals de uitbundige feesten die ze organiseren op doordeweekse dagen, dat ze drinken net na of zelfs tijdens schooltijd, overal heel gemakkelijk over denken en bijna nooit goed met hun geld omgaan. De dingen die ik totaal niet bij mezelf herken. Dit soort dingen worden vaak door de rest van de gemeenschap bestempeld als vreemd, bespottelijk, dom, noem maar op, maar ze worden wel op een bepaald niveau “geaccepteerd”. Er is maar één ding waar bijna iedereen, zelfs de studenten zelf, over struikelt: het forensgedrag van de algemene student.
Studenten zijn natuurlijke forenzen, maar hoe ze zich daarin gedragen is uitzonderlijk asociaal. Neem nou bijvoorbeeld de bus. Ik kom daar in Utrecht station aangelopen, met ongeveer honderd andere studenten en probeer een fatsoenlijke weg te vinden naar de bushalte. Ik ben, net als de rest, net uit de trein gestapt en onderweg naar school. Het is een gedoe om van hot naar her te komen. Bijna alles wat gebeurt, zorgt voor ophopende irritatie. De trein die te laat komt, hutje mutje op elkaar zitten, trage roltrappen, een drukke stationshal en dan ook nog een kapot wegdek, omdat ze aan het renoveren/bouwen zijn.
Ja, en dan komt er ook nog een bus aan te pas. Die bus waar alle studenten op staan te wachten. Die bus waar alle studenten in moeten, waarmee ze op tijd of net te laat op school aankomen. Als ze niet in die ene bus stappen, missen ze misschien net iets belangrijks en dat is niet goed voor je resultaten. Díe bus. Ja, dat levert onderling vaak een strijd.
Daar komt hij dan hoor. Iedereen ziet hem rijden. Hij rijdt van rechts naar links in een rondje om vervolgens weer aan te komen bij onze bushokjes. De hele kudde kijkt ernaar. Het is net alsof ze een soort collectieve gedachte delen: “BUS! DAAR!”
De meute dringt zich aan elkaar op. Iedere student probeert een plekje vooraan te bemachtigen. Studenten die al een tijdje meegaan, weten precies op welke plek de bus stopt en gaan dus ook precies daar staan waar zo meteen een deur voor hen zal open gaan. Niemand stapt ook maar één voet naar achteren wanneer die bus eraan komt sjezen en de zijspiegel bijna iemands hoofd ramt. Al heb ik het nog nooit echt zien gebeuren. Volgens mij zijn de buschauffeurs erg goed getraind op een zwerm jongeren die er misschien tegen aan kunnen knallen.
Je voelt de spanning wanneer de bus stopt. Mensen beginnen te dringen en wanneer één van hen op de knoppen heeft gedrukt, barst de hel los. De deuren slaan open. Gezamenlijke gedachte: “IK MOET ERIN, NU!”
Dus alle studenten duwen zich een weg naar voren. En met duwen, bedoel ik ook echt duwen. Ze schuiven je gewoon letterlijk aan de kant. Je hebt twee keuzes: 1) meeduwen en hopen dat diegene voor jou dat ook doet 2) omver vallen en overlopen worden.
Student zijn is een heus gevaar voor je leven.
En dan moet je nog dat opstapje naar binnen maken. O, god, dat gaat vaak moeilijk. Vooral als je zo’n tas meezeult van een kilo of vijftien.
Vervolgens gaan we inchecken. Ja, sinds de invoering van de OV-chipkaart (die voor ons jongeren overigens al drie jaar eerder inging dan voor de rest van Nederland – Lees: proefratten) is de instroom van studenten erg traag geworden. En dat zorgt voor nog meer irritaties. Handen die kruisen, chipkaarten die op de vloer vallen en machines die alwéér niet werken, dus dan moet een berg studenten zich met z’n allen op één apparaat storten.
Na het inchecken komt het moeilijkste gedeelte. Hersenkrakers gedeeld door de massa: “STOEL! NU!” En dan vooral eentje voor jezelf. Natuurlijk wil je die plek liever niet delen, al staan er toch echt twéé stoelen.
Vaak wordt er nog om gevochten ook. Net als een soort stoelendans, maar dan zonder plezier. Er worden vuile blikken door de bus geworpen (soms zelfs vuile woorden) en mensen proberen elkaars stoel zo snel mogelijk in te pikken. We lijken wel een stel hyena’s op zoek naar het laatste stukje vlees.
Zit je eenmaal, dan moet je ook nog eens een half uur wachten, omdat de rit zo lang duurt in hartje Utrecht. Als het dan ook nog eens zomer is, komt er geen zuurstof binnen, dus al die studenten gaan stinken van het zweet… je kunt je hopelijk wel voorstellen hoe dat ondertussen ruikt.
Wanneer de bus eindelijk bij jouw halte is, zucht je van opluchting. Het vervelende alleen is dat de hele kudde er dan vaak ook uit moet. Dus gaat de hele reutemeteut met z’n allen weer naar buiten, op enkelingen na. Dit zorgt ook weer voor de nodige irritaties, maar de meesten kunnen hier op dat moment dan wel mee leven, omdat ze eindelijk weer in de open, frisse ruimte rondlopen in plaats van in zo’n bedompte bus. Bovendien zien ze elkaar toch nooit meer.
Studenten en de bus. Het is een geval apart. Als ik er zo van een afstandje naar kijk, kan ik me best voorstellen dat niet-studenten ons zien als een soort wilde beesten in een safari. Ze rijden alleen nog niet in jeeps om met een verrekijker naar ons te kijken, maar ik denk niet dat het nog lang zal duren!


Tuesday, October 16, 2012 0 comments

Kort verhaal - Eendagsvlieg [NL]



Als eendagsvlieg heb ik toch wel veel taken. Ik moet alles binnen één dag doen. Wakker worden, eten opsporen, bedje zoeken, een vrouwtje vinden, kinderen maken en een keertje doodgaan. Het is ook allemaal zoveel in zo'n korte tijd. Als die meppende reuzen eens zouden weten wat ik allemaal moest doen, zouden ze wél medelijden met me hebben. Maar ach, onze soort is helaas niet zo geliefd.
Vanochtend hebben ze mijn buurvrouw van kant gemaakt. Ik zag haar aan het plafond hangen, aan zo'n sticker die zo lekker ruikt. Ja, ik was zelf ternauwernood ontsnapt, nadat ze me had gewaarschuwd met haar klapperende vleugels. Ik mocht niet naar haar toe komen; het was een val. Nou, ik ben die gevaartes helemaal zat. Moordenaars zijn het. Walgelijke wezens die overal bende maken en hun schaamte op ons afreageren. Wij zitten hun rommel op te eten en ze hameren gewoon op ons in. We doen hen een dienst! Ondankbare smeerlappen. Ik ben er klaar mee. Ze kunnen de pot op. Morgen word ik één dag olifant en trap ik over ze heen.
Tuesday, September 18, 2012 2 comments

Kort Verhaal - Dit kan ik wel, toch?

Wat ruik ik toch? Moeizaam open ik mijn ogen, ze zitten aan elkaar geplakt en mijn oogleden zijn dik. Ik wrijf over mijn gezicht om mezelf wakker te krijgen en voel dat mijn haren aan mijn gezicht kleven. Als ik mijn handen bekijk zie ik pas wat die stank heeft veroorzaakt. Kots.

Naast me ligt de rommel die ik in mijn slaap uit heb gespuugd. Onmiddellijk sta ik op en schrik wanneer ik een paar seconden neem om mijn omgeving in me op te nemen. Ik sta op een zandstrand voor de eindeloze zee. In mijn badpak. Alleen. Met kots.
Het laatste wat ik nog weet, is dat ik op een boot was met mijn vrienden Jacob en Pieter. We waren aan het feesten en ik heb een beetje gedronken. Nou ja, misschien wel veel.
Ik loop naar het water en was mezelf tot ik me weer schoon genoeg voel. Wat je schoon kunt noemen, in deze omgeving. Waar zou ik in hemels naam zijn? Ik kan me echt niet meer herinneren dat we ooit zijn aangemeerd.
Dan zie ik onze boot. Hij is helemaal aan diggelen.
Ik ren naar de boot. ‘Jacob! Pieter!’ Een uur blijf ik hun namen roepen, maar niemand reageert. Ze zijn er niet.
Met schrik besef ik dat niemand zal komen. Ik ben gestrand, in mijn eentje, op een onbewoond eiland.
Wat zou er met de jongens gebeurd zijn? Wat moet ik doen? Help!
Ik sla mezelf voor mijn gezicht om me bewust te maken van mijn eigen gejank. Ik kan er nu niets meer aan doen. Als dit echt een onbewoond eiland is, moet ik voor mezelf zorgen. Ik moet overleven. Dit kan ik wel, toch?
Voedsel, dat moet ik verzamelen. En onderdak, dat moet ik ook regelen. Waarom ben ik nooit bij de scouting gegaan? Ik stamp richting de eerste kokospalm die ik vind en zie er een paar mooie kokosnoten hangen.
Eerst probeer ik omhoog te klimmen, maar dat is geen succes. Telkens als ik bijna boven ben, glijd ik weer naar beneden. Ik bedenk een andere aanpak. Ik haal een stevig stuk hout uit het bos verderop en sla ermee tegen de stam. Een paar kokosnoten vallen naar beneden. Eentje bovenop mijn voet.
‘Godverdomme!’ Ik kijk naar mijn teen, die ondertussen knalrood is geworden en nogal dik uitslaat. In ieder geval heb ik nu voedsel.
In het bos verzamel ik grote bladeren en takken, die overigens flink bedekt zijn met vogelpoep. Met een stokje peuter ik de smurrie van de bladeren af en teken ermee op de kokosnoot die mijn voet vermorzelde. Ik besluit die ene kokosnoot niet op te eten en noem hem Tom. Ik moet iemand hebben om tegen te praten en Tom Hanks heeft het ideale voorbeeld gegeven. Al kijkt Tom niet blij. De derrie is gaan lopen.
Met de takken probeer ik een fatsoenlijk hutje op te zetten. Het zweet breekt me uit, maar het geïmproviseerde stulpje valt constant uit elkaar. Soms lijkt het ook meer op een berg hooi waar een beest doorheen heeft gewroet. Ik pak de kokosnoot op. ‘Jij kon het wel beter, hè? Meneer Hanks.’
‘Alice, wat doe je?’
Van schrik laat ik Tom vallen. Ik draai mijn hoofd en staar recht in het gezicht van Jacob. Pieter komt achter hem staan.
‘Jullie leven nog!’ gil ik, maar als ik eens goed naar hen kijk, valt mijn mond open. Ze dragen Hawaï shirts en zonnebrillen. In hun handen houden ze een drankje.
‘Ik dacht dat jullie…’ stamel ik.
Pieter barst in lachen uit als hij naar mijn kokosnootvriend staart. ‘We hadden niet verwacht dat je zo gestoord zou eindigen.’
Ik wijs omstebeurt naar de boot en dan naar hen.
‘De boot? Ja, we hadden wat problemen. Hij is kapot, want we zijn tegen een rots aangevaren. Jij had jezelf toen al helemaal lam gezopen, dus we hebben je vanochtend hier gelaten, omdat je sliep en je was te zwaar om te dragen,’ legt Jacob uit.
‘We dachten dat je wel wat rust kon gebruiken, met je kater. Je weet wel; zon, zee en strand.’ Pieter grinnikt. Ik staar ongelovig naar de jongens.
‘Het komt goed,’ verzekert Jacob me. ‘We hebben het hotelpersoneel gevraagd of ze een reparatieploeg konden verzorgen en we blijven hier gedurende het weekend. Ze vonden het prima en we kregen ook gratis drankjes! Aardig, hè?’
Mijn neus begint te kriebelen. Aan de linkerkant van mijn lip ontstaat een zenuwtrekje.
Jacob doet zijn zonnebril naar beneden. ‘Dus, hoe was jouw ochtend?’
 
;