Showing posts with label wedstrijd. Show all posts
Showing posts with label wedstrijd. Show all posts
Wednesday, March 6, 2013 0 comments

Kort Verhaal - Bericht

PING!
Mijn telefoon trilt in mijn broekzak. Ik haal hem eruit en bekijk het zojuist binnengekomen bericht.
‘O – mijn – god,’ zeg ik tegen mezelf. Het is een e-mail van de uitgeverij waar ik twee maanden geleden mijn manuscript naar heb opgestuurd. Ik open heimelijk het mailtje en lees de inhoud. Mijn hart begint sneller te bonken. Mijn ogen gaan schichtig van links naar rechts terwijl ik de tekst analyseer. Ik kan niet geloven wat hier staat.
Zo snel als ik kan ga ik naar de voordeur en ruk hem open. Ik ren de straat op en blijf midden op straat staan. ‘Mijn boek wordt uitgegeven!’ gil ik. Een aantal mensen om me heen kijken me met een frons aan, anderen glimlachen naar me, maar lopen gewoon door. Ik zie er vast als een malloot uit, maar het interesseert me niets. Mijn eeuwige wens gaat in vervulling. Ik zal straks een echte auteur zijn.
Ik ren weer naar binnen en sla de deur achter me dicht. Met mijn mobiel nog in mijn hand, sjees ik de trap op naar mijn werkkamer om daar achter de computer te kruipen. Ik ram zo hard op het toetsenbord, dat ik bijna denk dat de toetsen eruit zullen vallen, maar ze zijn het gewend. Ik typ hier elke dag.
Dit nieuws deel ik gelijk met al mijn vrienden en familie. Ik zet het op elke website en email het naar iedereen die ik ken. Daarna stuur ik de uitgeverij een email terug. Daar moet ik even op broeden, want ik heb geen idee wat ik eigenlijk wil zeggen. Het enige dat in me opkomt is: “YES!”. Maar dat is natuurlijk niet zo’n professioneel antwoord.
Terwijl ik typ, rinkelt mijn telefoon. Ik wip kort omhoog van de schrik en stoot er een pot pennen mee van de tafel.
‘Ja?’ vraag ik aarzelend, terwijl ik de pennen van de vloer af raap, me niet realiserend dat ik ben vergeten mijn naam te vertellen.
‘Is dit mevrouw Klodder?’
‘Ja, ja, dat ben ik,’ zeg ik met een gekunsteld lachje.
‘Fantastisch. Ik ben van Koender en Smits Uitgeverij. Ik heb u eindelijk aan de lijn. Ik bel al de hele ochtend.’
‘O, ja? Ik heb niets gehoord.’
‘Misschien had u het geluid uitstaan. Ik bel over uw manuscript. Ik weet dat we u net een mailtje hebben gestuurd, maar eigenlijk wil de uitgever u direct spreken. Bent u morgen beschikbaar voor een afspraak? Dan kunnen we gelijk de overeenkomst doornemen.’
‘Wat?’ Mijn stem fluctueert in toonhoogte. Ik schraap mijn keel. ‘Meent u dat?’ Ik leun achterover op mijn stoel.
‘Ja, hij was zo enthousiast over uw manuscript. Hij zegt dat het een echte kaskraker gaat worden en hij kan niet wachten om met u in zee te gaan.’
‘Wa –’ Ik verlies mijn balans en terwijl ik mijn ogen dichtknijp, val ik met de stoel keihard achterover op de vloer. ‘Au!’
Als ik mijn ogen weer open doe, lig ik nog steeds op de vloer, maar de stoel is verdwenen. Over me heen ligt een deken en mijn hoofd bonkt. Ik duw mezelf omhoog met mijn ellebogen en zie dan dat mijn benen omhoog liggen. Ik lig nog half in bed en ben er met mijn bovenlichaam uit gedonderd. Ik help mezelf overeind en gooi de deken van me af. Nou, mooie droom was dat. Te goed om waar te zijn. Waarom heb ik dat altijd?
Ik wrijf over mijn pijnlijke bult, rek me uit en gaap een keertje, voor ik mijn sloffen aantrek en mijn slaapkamer uit strompel. Ik loop naar mijn werkkamer en klik op het knopje van mijn computer. Al gapend wacht ik hij klaar is met opstarten en bekijk mijn inbox. Nul gemiste berichten. Dat dacht ik al.
Ik zet hem weer uit en loop de trap af. Schuifelend over de vloer ga ik naar de keuken en zet ik voor mezelf een flinke bak koffie. Miauw, mijn kat, praat alweer veelvuldig met me, vandaar zijn naam. Ik sjok naar de voordeur om hem naar buiten te laten en wanneer ik de deur weer dichtdoe, blijft mijn blik hangen op iets nieuws. Ik knipper een paar keer en staar ernaar met een open mond. In mijn brievenbus zit een envelop met daarop het embleem van Koender en Smits Uitgeverij. Misschien dat mijn eeuwige wens toch nog in vervulling gaat.
Thursday, January 31, 2013 0 comments

Kort Verhaal - Ongewenste intimiteit

De baby blijft huilen. Hilde haalt Rick uit zijn wiegje en zet hem in de kinderstoel.
‘Stil maar,’ zegt ze, terwijl ze zijn slabbetje omdoet. Ze loopt naar de magnetron en haalt het potje warme babyvoeding eruit. Even proeft ze of het de juiste temperatuur heeft, daarna pakt ze een lepel en loopt terug naar Rick.
‘Mama, ik verveel me,’ zegt Wendy die zit te wiebelen in haar stoel.
Hilde zucht en zet het potje op tafel, terwijl de baby weer begint te jammeren. Ze loopt naar de kast, haalt er een rode én een groene stift uit en een A4tje.
‘Hier, ga maar tekenen,’ zegt Hilde. ‘Mama is nu even druk.’
Wendy haalt haar schouders op en loopt naar de koffietafel.
Het is voor Hilde niet gemakkelijk. Sinds ze pleegouder van baby Rick is geworden, heeft ze geen tijd meer voor zichzelf. De klusjes blijven liggen, haar biologische dochter Wendy krijgt niet genoeg aandacht en Rick moet altijd worden verzorgd. Haar man Tom is nog op zijn werk en kan haar onmogelijk helpen.
Hilde pakt het potje babyvoedsel en voert de baby hap voor hap. Alles komt onder te zitten. Gelukkig is Wendy nu bezig, dus heeft Hilde wel even tijd om het op te ruimen. Nadat ze Rick in de babybox heeft gezet, veegt ze met een doekje langs de tafel. Haar rug doet nu al pijn, maar er is nog veel te doen. Tijd om te dweilen.
Ze pakt de mop, vult een bak met water en gooit er schoonmaakmiddel bij. Eerst Wendy’s kamer maar, want die heeft Hilde vanmorgen nog opgeruimd. Als ze eenmaal begonnen is, staat Wendy plotseling achter haar.
‘Mama, kijk eens! Mooi, hè?’ Ze laat de tekening aan Hilde zien.
‘Ja, mooi hoor. Hang maar aan de koelkast,’ zegt Hilde. Na nog geen tien seconden is Wendy alweer terug.
‘Mama, maar wat moet ik nu doen?’
‘Zoek maar wat om te spelen,’ antwoordt Hilde. Ze heeft het eigenlijk veel te druk om Wendy te vermaken en alles kost zo ongelooflijk veel tijd.
Wendy wil naar voren lopen, haar kamer in, maar Hilde houdt haar tegen. ‘Nee, dat kan niet. Mama is nu aan het dweilen. Er mag niet in je kamer worden gelopen.’
Wendy kijkt sip.
‘Nou, ga maar naar mijn kamer dan. Ga daar maar even spelen.’ Hilde ziet Wendy’s gezichtje gelijk opfleuren. Misschien dat het haar even bezig houdt. Hilde dweilt ondertussen Wendy’s kamer.
‘Schat, ik ben thuis!’ roept een stem. Het is Tom. Eindelijk is hij thuis. Gelukkig nog op tijd ook, want zo meteen komt de maatschappelijk werkster om te kijken hoe het met Rick gaat.
‘Fijn,’ roept Hilde. Op dat moment wordt er aangebeld.‘O, schat, wil jij even open doen?’ Hilde probeert zo snel mogelijk alle rommel van het dweilen op te ruimen. Het moet er zo schoon mogelijk uit zien.
‘Goedemiddag.’ Hoort Hilde iemand zeggen. Ze fatsoeneert haar haren en trekt haar kleding recht. Dan loopt ze naar de woonkamer.
‘Hallo,’ zegt Hilde en ze stelt zich voor. ‘Gaat u zitten.’
‘Wilt u een bakje koffie?’ vraagt Tom ondertussen.
‘Nee, dank u,’ zegt de medewerkster. Hilde komt tegenover haar op de bank zitten, terwijl Tom wat koffie voor zichzelf maakt.
‘En, hoe gaat het met de baby?’ vraagt de vrouw.
‘Ja, goed. Niets bijzonders,’ zegt Hilde met een gekunsteld lachje. De vrouw stelt hen meerdere vragen over het huishouden en de baby. Telkens als Hilde of Tom antwoord geven, knikt de vrouw alleen maar en maakt geluidjes die voor Hilde niet goed noch slecht klinken. Ondertussen schrijft de vrouw van alles op haar formulier.
‘En hoe gaat het met Wendy? Kan ze goed overweg met de veranderingen?’ vraagt ze.
Hilde was helemaal vergeten dat Wendy in hun slaapkamer aan het spelen was.
Opeens wordt het gezicht van de vrouw bleek en worden haar pupillen groot. Ze laat een pen uit haar hand vallen. De koffie die Tom aan het drinken was, giet hij, in plaats van in zijn mond, plompverloren over zijn shirt van schrik.
Wendy is net de kamer uitgelopen en vraagt: ‘Mama, wat is dit? Het lag onder je bed.’
In haar handen houdt ze met rode veertjes en zachte stof bekleedde handboeien.



Nog meer leuke verhalen lezen? Kijk dan hier: Lijst met berichten
Sunday, December 30, 2012 0 comments

Kort Verhaal - Heb je even tijd?

Vandaag ga ik weg. Met een bescheiden tas wandel ik over de grauwe stenen. Mijn hoge hakschoenen met rode zooltjes trekken blikken van andere reizigers en ik voel me erdoor gevleid. In mijn bloemetjes jurk die wappert in de wind kijk ik naar de borden boven het perron. “Paris – 15.10” staat erop. In het hier en het nu besluit ik die trein te nemen. Gewoon zomaar, omdat het kan.
Voor mij staat een man in de rij bij het kaartjes apparaat. Als hij klaar is, loopt hij weg en zie ik dat hij iets laat vallen. Vlug raap ik het op en zoek om me heen naar de vreemdeling die ervandoor is gegaan. In mijn handen hou ik een ouderwets zakhorloge van goud; kostbaar lijkt me. Roepen kan wel, maar de man kan me nu onmogelijk nog horen.
Nu ben ik aan de beurt en de mensen achter mij worden ongeduldig. Even kijk ik de man na om te zien of hij in dezelfde trein stapt en het is waar. Ik koop snel een kaartje en houd ondertussen mijn strohoed goed vast waar de wind onder door blaast. In de zon is het warm buiten, maar in de schaduw is het koel, een heerlijke combinatie. Ik kom de zon tegemoet die me laat stralen, net als zij. Daarna stap ik in de trein en zeg in mijn hoofd vaarwel tegen dit vale leven en verwelkom de vreugde.
Om me heen zoeken de mensen een plekje of ruimen ze hun bagage op. Verstrooid zoek ik een zitje waar ik alleen kan zijn, dicht bij het raam. Het is veel te druk in de trein om nu op zoek te gaan naar de man die zijn waardevolle erfstuk verloor. Ik besluit te wachten tot het voertuig in beweging is gekomen en alle mensen zitten.

Vrijheidsroes. Zo noem ik het maar. Het is nog geen dag geleden dat ik mijn baan opzegde in de bar waar ik vijftien jaar heb gewerkt. Mijn norse baas lachte me in mijn gezicht uit toen ik zei dat ik meer van de wereld wilde zien dan zijn pietluttige stekje. Hij bulderde wat verwensingen, omdat ik gek was om te stoppen en omdat ik nooit meer aan de bak zou komen. Niemand zou mij willen hebben.
In mijn postvak vond ik gisteravond een vacature met een embleem erop dat leek op een meeuw. Ik ben gevraagd om die plek te vervullen.

In een trans kijk ik naar buiten. Ik zie de weerkaatsing van de zon in de bladeren van de bomen, de vrolijk makende kleurrijke bloemen in het veld en de open blauwe lucht. Niets is beter dan dit. Het raampje boven me doe ik open en snuif de parfumachtige bloemenlucht en versgemaaide grasluchten op. Zomer. Het maakt me altijd euforisch.

Eergisteren werd ik overrompeld. Een oud klasgenoot van mij kwam een koffie drinken in de bar waar ik werkt, net op het tijdstip dat ik aan het bedienen was. We kletsten over de vergane jaren, ons heden en onze toekomst. Hij had een huwelijk achter de rug, was nu alleen en begon over een maand voor zichzelf. Hij zei dat hij ging verhuizen een nieuw leven wilde opbouwen. We schaterden en maakten lol, net als vroeger. Die goede oude tijd, waarin niets er toe deed en alles leuk was.
Hij was degene die mij hiertoe aanzette. Weg gaan, heerlijk in je eentje. Ik verklaarde mezelf voor gek die avond, dat ik zoveel heb gepraat met iemand die ik twintig jaar niet had gezien. Net voor hij wegging schoof hij een briefje in mijn zak waar op stond “we hebben de tijd”. Hij was mijn oude liefde uit mijn tienerjaren.

De tijd lijkt voorbij te glijden als boter op een warm mes, maar het maakt niets uit. Ik hoef niets. Niemand wil wat van me. Dat is fijn. Uit mijn zak haal ik het zakhorloge. In het goud op de voorkant staat een naam gegraveerd: “J.P.”.
Dan zie ik de man langs me lopen. Ik herken zijn pak uit duizenden en voel dat mijn hart harder gaat kloppen. Dit uurwerk is van hem. Ik moet het teruggeven. Zonder erbij na te denken sta ik op, me nog net bedenkend dat ik mijn tas niet moet laten liggen. Ik loop vlug terug, pak het op en ren achter de man aan die bijna uit mijn zicht verdwijnt. ‘Meneer!’ roep ik, maar hij draait niet om. Het lijkt wel alsof hij me opzettelijk negeert. Misschien is dat ook wel zo.
We gaan een paar coupés langs tot hij helemaal achteraan in de trein er eentje binnenloopt. Dit is mijn kans. Ik glip naar binnen en zie hem zitten met een boek voor zijn gezicht.
‘U liet dit vallen, meneer,’ zeg ik, maar hij reageert niet.
Ik kijk naar het horloge en zie dat er iets uitsteekt. Nieuwsgierig maak ik het open, hopend dat hij het niet hoort, want misschien mag ik het wel niet zien. Tik, tik, tik. Het klokje werkt nog prima. Aan de binnenkant van het klokje zie ik wat staan: “We hebben nog steeds de tijd.”
Uit mijn schrik laat ik het uurwerk uit mijn handen vallen en op datzelfde moment doet de man het boek omlaag.
Het is de man uit het café: James Parlow.
Op zijn gezicht staat een liefdevolle glimlach. Mijn uitdrukking verandert echter naar totaal ongeloof. Begrijpbare zinnen komen niet uit mijn mond, want ik stamel. Op zijn jas zie ik een bekend embleem zitten met daarin een meeuw gedrukt.
‘Hallo Amelie.’ Uit zijn jas haalt hij één bloeiende rode roos.
‘Dus jij was het! Die vacature… al die tijd al… kwam je daarom naar mij?’
‘Verkeerd, dat was mijn leven. Ik begin opnieuw. Een nieuw huis, een nieuwe stad, mijn eigen bedrijf… en ik hoopte ook met jou.’ James steekt de roos in mijn richting.
Dit kan niet waar zijn. Is hij na al die tijd nog steeds smoor op mij? Na twintig jaar, denkt hij nog steeds aan mij?
Het is zo ongeloofwaardig dat ik ervan flauwval.

Als ik wakker word, lig ik in mijn bed, thuis. Die krakkemikkige woning in een oude sloppenbuurt, zoals mijn baas het zou noemen. Ik gooi de deken weemoedig van me af en sta op. In de spiegel kijkend besef ik me pas dat het allemaal een droom was geweest. Bedroefd ga ik naar mijn werk, want die had ik alleen in mijn dromen vaarwel gezegd. Zoals gewoonlijk schreeuwt mijn baas wat woorden naar me in het Spaans waarna hij op een kruk een sigaret gaat roken en verwacht dat ik zijn werk overneem.
Dan zie ik de James binnen lopen. Was dat ook allemaal een droom geweest? Zenuwachtig bijt ik op mijn lip.
‘Eén koffie graag,’ zegt hij terwijl hij de krant leest en niet eens naar me kijkt. Mijn hart bonst, maar hij geeft geen kik. Het was dus allemaal bedrog geweest. Hersenspinsels en romantische dromen in de nacht. Alles; de vacature, het gesprek met hem, de reis in de trein.
Hij zegt niets. Er kan niet eens een “hallo” van af. Misschien kent hij me echt niet meer. Ik geef hem zijn koffie in een kartonnen beker aan en hij loopt weg. Het belletje rinkelt als de deur dichtvalt en ik hem letterlijk uit mijn leven zie weglopen.
Nee, dit zal mij niet nog eens gebeuren.
Ik gooi de afdroogdoek die ik in mijn handen heb op de balie waardoor mijn baas weer begint te mopperen. Achter me hoor ik hem blèren, maar ik luister niet naar hem, want ik ren de deur uit. Voor me zie ik een taxi op straat staan. Ik ren ernaartoe en stap tegelijk met James in de auto, hij aan de ene kant, ik aan de andere kant.
We kijken elkaar aan en voor het eerst zie ik de herkenning van mijn gezicht in zijn ogen verschijnen.
‘Heb je nog even tijd?’ vraag ik aan hem met een lach. De taxi begint te rijden, richting het vliegveld zegt de chauffeur, want daar wilde James naartoe. Daarna zoen ik James vol op de mond. Hij zoent me terug.

Meer verhalen lezen? Koop de bundel waar mijn verhaal "Heb je even tijd?" ook in staat bij bol.com: Zomertijd deel 2 nummer 1

Tuesday, August 21, 2012 0 comments

Kort Verhaal - Weg [NL]

Weg



Nu


De weg is eindeloos. Populieren staan langs dit grindpad dat ik bewandel, hun oranjegele bladeren vallen zacht op me neer. De hemel is lichtblauw zonder grijze wolken, maar de zon schijnt hier niet. Het geeft niet. Ik voel me vrij.

Zes dagen geleden


Ik heb niet eens de tijd om me aan te kleden, zo plotsklaps dat het gebeurde. Daarnet had ik willen beginnen aan mijn ontbijtje, twee beschuitjes met suiker en een mierzoet kopje thee, nu een lege maag.
Met trillende vingers zit ik te kijken naar het tafereel voor me. Het lijkt allemaal zo onwerkelijk. Een man in een wit pak komt de deur binnenlopen en zet zijn tas op tafel. Uit de tas haalt hij een doos met een plusteken erop en een aantal vreemde instrumenten waarvan ik de namen niet ken. Gelukkig laat hij mij met rust. Hij loopt naar de stoel waar het verwrongen lichaam in zit en gaat met de spullen aan de slag.
Mijn man, waarmee ik meer dan vijftig jaar samen ben, zit op de bank tegenover de stoel. Tranen biggelen over zijn wangen en hij prevelt dezelfde zinnetjes telkens opnieuw. De blik in zijn ogen is onvergetelijk, zo triest.
Een andere man komt binnen. Ze zijn een tijd bezig met het levenloze lichaam, maar het heeft geen zin. Mijn familie is nu ook gekomen. Hun gezichten spreken boekdelen en ze houden mijn ontroostbare man stevig vast. Een snerpend, ritsend geluid is te horen. Daarna wordt de zwarte zak naar buiten gedragen.
Ik moet hier weg.

Ik ga naar mijn eerste dochter, de sterkste van al mijn kinderen. Het nieuws heeft ook haar en haar gezin bereikt. Vanaf beneden hoor ik luid gekrijs uit de slaapkamer komen van haar jongste dochter. Ik weet dat haar vriend bij haar is om haar te troosten, maar het huilen zal niet ophouden, dat weet ik maar al te goed.
Beneden zie ik mijn dochter op een stoel voor de tafel zitten. Achter haar staat mijn schoonzoon met zijn hand ferm in haar schouder gedrukt. Misschien dat ik haar kan helpen, denk ik, maar mijn woorden bereiken haar nu toch niet.
Haar gezicht is lijkbleek en er komt een geluid uit haar keel dat ik nog nooit eerder heb gehoord. Als dat van een wolf, klinkt haar gehuil. Het gaat door merg en been.

Vier dagen geleden


‘Waarom is dit toch altijd zo lastig?’ zegt ze tegen zichzelf. Het penseel gaat ritmisch heen en weer over het doek. Nauwkeurig bestudeert ze telkens de pop die ernaast staat en vervolgens schildert ze dat precies na. Ik glimlach naar mijn kleindochter en ben blij dat ze zich daarin kwijt kan. Die oude pop had ze gekregen van haar moeder, het was een aandenken, iets dat ze wel kon gebruiken nu.
‘Het ziet er prachtig uit,’ zeg ik. De gelijkenis tussen de pop en het schilderij is fantastisch om te zien. Ze is er zo goed in, die creatieve dingen. Ik bedenk me dat dit waarschijnlijk haar manier is om het verdriet te uiten, om het kwijt te kunnen.
‘Ik denk niet dat ik er ooit nog naar wil kijken, als ik klaar ben.’ Met gebogen hoofd kijkt ze naar haar vingers die ondertussen alle kleuren van de regenboog hebben. Ze was nooit zo netjes.

Gisteren


Mijn kleindochter pakt wat donkere kleren uit haar kast. Gelukkig hoefde ze niet naar school deze week, anders had ze ook nog moeten vertellen waarom ze niet kwam. Tegenover haar staat het bed waar ik op zit, kijkend naar haar handelingen. Ik wacht tot we weggaan.
‘Ik denk dat ik dit maar aantrek.’ Ze loopt naar de grote spiegel en houdt een paar kledingstukken voor haar lichaam.
‘Alles is goed,’ zeg ik.
Als ze klaar is loopt ze de kamer uit, zonder wat te zeggen.

De wagen moddert zachtjes vooruit. Op elke auto zitten twee vlaggetjes aan de voorkant. Mijn kleindochter heeft dit nog nooit gezien. De hele stoet, onze familie, komt achter ons aan. Het is een hele gewaarwording, zoveel mensen die allemaal dezelfde bestemming hebben.
Ik zie niets, maar ik hoor een hoop. Opgesloten in mijn eigen wereldje is het alleen maar zacht om me heen en is er niets aan de hand. Ik vind het niet erg hier te zijn. Zij allemaal wel.
Wanneer we de oprit opkomen hoor ik de klepel hard tegen de klok in de toren slaan. Ik word met moeite uit de wagen geholpen en terwijl de hele familie en alle kennissen alvast gaan zitten, helpen mijn schoonzonen en zonen mij. Ik ben nu eenmaal niet zo’n lichtgewicht en ze moeten me toch echt voor een deel naar binnen dragen.
Binnen branden een hoop kaarsen en staat er een pastoor bij het altaar. Iedereen zit al in een kring om hem heen, de helft huilend, de andere troostend. Als ik binnenkom, met behulp van mijn zonen en schoonzonen, kijkt iedereen om naar mij. Ik voel me plotseling heel speciaal.

Hier staan we dan. Mijn man had een mooi plekje gereserveerd, net onder een oude boom. Hier was veel ruimte en het lag helemaal alleen, zoals iedereen dat wel zou willen. Ik kijk omhoog en zie alleen de felle zon en de prachtige, oranje en gele bladeren die naar beneden vallen. De herfst heb ik altijd al een mooi jaargetij gevonden. Ook wij gaan net als die bladeren ooit een keer dood, maar zoals een boom blijft onze familie toch voortbestaan.
Om me heen zie ik de bedroefde gezichten van mijn naasten, de mensen die van mij houden. Ik ben zo blij dat ik hen heb.
Iedereen doet zijn zegje bij het gat waar de donkere kist in ligt. Mijn kleindochter durft niets te zeggen, ze is bang dat ze niet uit haar woorden komt, vertelt ze aan haar moeder. Maar haar moeder luistert niet, want die is te druk met het verwerken van haar eigen verdriet.
Er wordt een mandje gebracht door één van de medewerkers die alles georganiseerd hebben. Ik zie dat er rozenblaadjes in zitten en één voor één worden de omstanders naar voren geroepen om een handje te pakken en ze uit te strooien.
De laatste persoon is mijn kleindochter.
‘Dag oma.’
Ik kijk nog eenmaal naar haar lieve gezicht.
Daarna ga ik weg.
Tuesday, July 3, 2012 0 comments

Kort Verhaal: Kwaad verdelgt kwaad [Dutch]

Kwaad verdelgt kwaad


Nu

Het eerste dat ik hoor is een piep. Ik bevind me in het rijk tussen dromenland en wakker zijn, waar ik me niet kan bewegen. Nog een piep. Ergens dichtbij me hoor ik vaag een aantal stemmen, maar ik kan niet uitmaken wat ze zeggen. Weer een piep. Het is monotoon en herhaalt zich om de zoveel seconden.
Met veel moeite krijg ik mijn ogen open. Mijn zicht wordt belemmerd door vage zwarte en witte strepen, waardoor ik de mensen om me heen niet kan zien. Ik lig op mijn rug op een zacht bed. Uit mijn mond komt een krassend geluid voort, in plaats van de woorden die ik wil spreken. Waar ben ik? Hoe lang lig ik hier al? Maar als de mensen praten, kan ik ze niet verstaan.
Het doet pijn. Mijn hele lichaam voelt bont en blauw aan en ik ben zo moe. Slapen kan ik echter niet. Iets in me schreeuwt moord en brand dat het eruit wil, maar ik weet niet wat. Mijn stem en nog iets dat ik niet kan plaatsen ben ik kwijt geraakt. Als ik hier zo lig, beginnen de herinneringen langzaam weer terug te sijpelen in mijn geheugen.

Ervoor

‘Houd je waffel en pers!’ roept de vrouw gekleed in een witte jurk.
Ik span mijn spieren zo hard mogelijk aan, er ontsnapt een gil uit mijn strot, en adem daarna briesend als een paard uit. Helse pijn. Meer dan dat kan ik niet voelen in deze vochtige smerige grot die zij een kelder noemt.
Mijn handen zijn apart geketend aan twee buizen die uit de grond steken. Telkens als ik druk dreig ik ten onder te gaan aan de meedogenloze vermoeidheid. Maar ik geef niet op.
‘Pers!’ roept de vrouw nogmaals. Ik wil het liefst mijn vingers om haar hals knellen en haar fijnknijpen. Ik pers zo hard dat ik er van ga schreeuwen, al weet ik dat niemand anders dan wij twee mij zullen horen.
Zweet loopt over mijn hoofd en druppelt op de grond. Wat een afschuwelijke plek is dit, deze donkere holte, enkel verlicht door een kleine gloeilamp drie meter boven ons. Geen lucht en geen zonlicht treden hier binnen. Ik ben halfnaakt en uitgeput en wordt zo meteen bestolen van mijn enige vreugde.
Nog eenmaal druk ik en schreeuw ik mijn longen uit mijn lijf en dan zie ik een halve glimlach op het gezicht van de verschrikkelijke vrouw verschijnen. In haar handen houdt ze tussen mijn benen een lap stof vast. Als ik omhoog kijk zie ik vaag de omtrekken van een soepel roze lichaampje bedekt met bloedvlekken en huidsmeer.
‘Het is een jongetje!’ roept de vrouw hysterisch, alsof het van haar is.
Ze knipt met een schaar de streng door en klemt hem af met een wasknijper. De lap stof wikkelt ze om hem heen. Dan staat ze op en loopt ze richting de deur. Ze werpt nog een dodelijke blik naar me voor ze hem opent en weer dichtslaat achter zich en mij hier alleen laat in deze zompige ruimte.
‘Nee!’ krijs ik, maar ze komt niet terug.
Ik ben zo moe. Al die tijd dat ik hier gevangen heb gezeten voor één ding. Die tijd is nu voorbij. Ze heeft hem. En nu laat ze me hier voor mijn lot achter.
Verwoed ruk ik aan de kettingen die mijn handen knevelen. Iets in me wil dat ik vecht voor mijn leven. Vecht voor het leven van mijn pasgeboren zoon.
Mijn polsen zijn dun en waar ik vastgebonden zit zitten etteren mijn ontstekingen erop los. Met veel pijn en moeite wring ik mijn polsen door de dunne gaten in de ijzeren boeien. Ik ben zo mager geworden door het gebrek aan eten, dat ik mezelf nu eindelijk uit mijn gruwelijke gevangenis kan bevrijden. Hier, de plek waar ik zes maanden heb vastgezeten zodat mijn lichaam kon dienen als een incubator.
Ik wankel naar de deur en sla hem open. Een ondergrondse garage is het eerste dat ik zie. Hoe ze me hier al die tijd geheim heeft kunnen houden is een raadsel. Als ik voor me kijk zie ik net haar auto, die wegrijdt door de poorten richting de buitenwereld.
Strijd. Dat is wat ik lever om mijn kind. Terwijl ik daar lag weg te kwijnen in dat stinkhok had ik de hoop op leven al opgegeven. Ik zou er nooit meer uit komen. Maar vanaf het moment dat ik dat gezichtje zag en wist dat hij van mij was, zou ik voor hem vechten. Al werd het mijn dood.
Ik begin te rennen en zal dat doen zolang mijn benen me willen dragen. De auto kan niet snel wegkomen, want het moet eerst nog de drukke straat opkomen. Het lange shirt dat ik draag zit onder het bloed, maar ik blijf rennen. Door de poorten heen, langs de hekken en de straat op. De zon, die ik al zes maanden niet meer heb gezien, verblindt me. Daar staat de auto, net voor een drukke weg.
Ik storm ernaartoe en ruk zonder erbij na te denken de deur van de passagierskant open. De vrouw krijst maniakaal naar me en probeert me weg te duwen bij de baby die op haar schoot ligt.
Ze wil de weg op rijden met de passagiersdeur wagenwijd open en ik die eraan hang. Ja, mijn leven en dat van mijn kind hangt hiervan af. Dan zie ik in de zijspiegel dat er een andere auto van de linkerkant komt. De vrouw die er met mijn baby vandoor wil gaan, wordt afgeleidt door mij en blijft stil staan, midden op de weg.
Ik knijp mijn ogen dicht als de andere auto tegen haar auto opbotst en ik wordt weggeslingerd tegen de muur van een spierwit gebouw aan. Het is het gebouw waar ik op mijn stompjes die men voeten noemt uitgestrompeld ben. De Dame in het Wit, het gebouw waar ik vroeger zo vaak kwam en nu deze afschuwelijke herinneringen aan heb.
Ik zie hoe de ene auto tegen een boom schuift terwijl de andere koprollen maakt over het wegdek. Dat is de auto waar de vrouw in zit die mijn kind heeft gestolen.
Ik voel mezelf wegglippen. Ik heb teveel bloed verloren en ben zo hard met mijn hoofd tegen de muur aan geknald dat ik niet meer overeind kan komen. Het laatste dat ik zie is de rode vloeistof die uit de wagen sijpelt, een arm die door de opening van de passagiersdeur bungelt en mijn baby die eronder in een onmogelijk kronkelende positie op het asfalt ligt.

Erna

Ongecontroleerd hyperventileer ik op dit donzige bed. Deze witte kamer maakt me gek, net als de eentonige kleuren van de kelder in het witte gebouw. Tranen rollen over mijn wangen wanneer ik besef dat alles echt gebeurd is.
Ik trek de slangen uit mijn armen en haal alle medische zooi van mijn lijf. De deken sla ik van me af en ik probeer op mijn voeten te gaan staan. Alle piepjes uit de machines negeer ik. Met behulp van de stang aan mijn bed help ik mezelf vooruit. De vloer is koud terwijl ik vooruit slof richting het bed dat tegenover het mijne staat. Ook daar hoor ik de piepjes uit een apparaat komen dat naast het bed gepositioneerd is. In het bed ligt een vrouw roerloos, gekleed in een witte jurk. Dezelfde vrouw die mijn baby heeft vermoord.
Ik denk niet meer na. Mijn leven is nu voorbij. Zij heeft het vergiftigd, om zeep geholpen, mij geëxecuteerd en mijn baby een doodsvonnis gegeven toen ze hem uit mijn baarmoeder haalde en ermee vandoor ging. Ik zal nu hetzelfde voor haar doen.
Eerst trek ik alle stekkers uit de apparaten en ruk ik de draden en slangen uit haar lijf. Ze reageert niet. Naast haar liggen twee kussens. Ik pak er één op en druk hem ferm op haar misselijkmakende gezicht. Ze spartelt, maar haar armen zitten verstrengeld in de deken dat strak om haar lichaam gevouwen zit. Nee, ik laat haar niet gaan. Net zoals zij mij niet liet gaan, mij liet smeken om mijn leven en het leven van mijn toen nog ongeboren kind. Nee, ik zal haar die vrijheid niet gunnen. Ik zal haar eenzame weg naar de hel bespoedigen met een akelige dood.
Mijn kind zal ik nooit meer terugkrijgen, dit is het enige wat ik voor hem nog kan doen. Een glimlach verschijnt op mijn gezicht wanneer de vrouw in de witte jurk haar laatste adem blaast. Wraak.
Saturday, June 16, 2012 0 comments

Kortverhaal - Vergeten te Leven [Dutch]


Hoi hier is weer een kort verhaal van mij dat ik graag met jullie wil delen. Het was voor een wedstrijd in het genre Fantasy en gaat over Thor. Veel plezier met lezen! 

Vergeten te Leven

Een deken van glazig ijs zat om haar heen gewikkeld. De tijd stond stil en ze was eenzaam. Hoe lang al? Ze wist het niet, maar het deed er niet toe. Wat ze was, of wie ze ook was, het maakte niets uit, want de wereld draaide door zonder haar. Gevangen en alleen, vergezeld door enkel haar eigen gedachtes. Waar, wie of wanneer ze was wist ze niet. Alles leek een illusie.
In de schimmen van haar gedachtes zag ze een man met een hamer in zijn vuist, naast hem een roedel wolven huilend in de striemende sneeuw. Troebel zag ze de man bewegen en gele gloed kwam uit zijn lichaam en reek naar de hemel. Een bliksemschicht spleet de wolken en in de verte klonk de donder.

Een lichte flits verscheen voor haar ogen en verblindde haar. Schokken van warmte en pijn vloeiden door haar bevroren lichaam.
Was die man en zijn wolven niet één van de velen hersenspinsels geweest?
In het ijs dat haar lichaam omhulde verschenen barsten die zich verspreidden als prachtige gevormde takjes aan een boom. Haar borstkast begon op en neer te gaan. De pijn was bijna ondragelijk, maar er was geen terugkeer mogelijk, want de tijd was weer gaan lopen. Ze opende haar ogen en wilde haar longen uit haar lijf schreeuwen, maar geluid penetreerde nog niet door het ijskoude omhulsel.
Zwiepend en draaiend kwam daar een vreemd wapen aangevlogen. De fraai afgewerkte hamer ramde het getornde ijs. Haar lichaam viel als een omgekapte stam naar beneden en voor het eerst in tijden aaide de fluweel zachte sneeuw haar gezicht. Lucht perste zich een weg door haar neus- en mondholte terwijl zij haar gezicht ophief.
Bevrijd.
De gevangenis waarin zij haar eeuwigheid had doorgebracht was gesprongen. De wind streek over haar koude lichaam terwijl ze haar hoofd met moeite omhoog hief. Wazig zag ze voor haar twee grote voeten steeds dichterbij komen.
De grote voeten stopten voor haar weerloze en broze lichaam. Zijn schaduw veranderde de gloed van de sneeuw in een grijze tint waardoor ze kon zien hoe groot de figuur was.
Ze voelde hoe haar armen van de grond kwamen, om haar middel drukte twee armen zich stevig vast. Haar zicht veranderde, want opeens zag ze niet de sneeuw meer, maar de donkergrijze lucht en sneeuwvlokjes die zachtjes neerdaalden op haar blonde haren. De kracht die geleidelijk aan weer terugkwam zorgde ervoor dat ze haar hoofd lichtelijk op kon tillen en haar redder kon bekijken.
Wie was de man die haar uit haar ijsmantel had gehaald?
Ze zag een blonde, oude man, met een gevlochten snor en blauwe vriendelijke ogen. Het bond van zijn harige jas streelde haar wang. Eén van de wolven had de hamer van de grond gehaald en droeg hem in zijn bek terwijl het beest met het roedel in de verte verdween.
De voetstappen van de man maakte een knisperend geluid en hij zakte telkens een beetje weg in de sneeuw. Ondanks dat ze de man helemaal niet kende, voelde ze zich gemakkelijk bij hem. Hij zou haar geen kwaad doen, dat kon ze voelen.
Hoe lang de reis duurde sinds ze bevrijd was uit haar gevangenis, wist ze niet. Ze had geen besef van tijd, geen manier om het te meten en geen idee waar hij haar naartoe zou brengen. Zijn voeten begonnen vaar te minderen en zijn armen begonnen te bewegen. Aan haar rug kon ze de koude grond van de sneeuw weer voelen en wist ze dat hij haar neergelegd had. Zelf had ze geen energie om overeind te komen, dus ze hoopte diep van binnen dat de man wist wat hij deed. De man boog zijn hoofd over haar heen en een traan van zijn wangen viel op haar gezicht. Toen draaide hij om en liep prompt weg.
‘Wacht …’ probeerde ze te zeggen, maar er kwam enkel onverstaanbaar gebrabbel uit, haar mond werkte nog steeds niet.
Daar lag ze, weer alleen in de sneeuw, kijkend naar de sneeuwvlokjes die neerdwarrelde uit de grijze hemel. Ze kon niet lang genieten van de prachtige avond, want haar ogen voelden te zwaar om open te houden. Haar ledematen begonnen synchroon te voelen, alsof haar lichaam één homp werd en alles aan elkaar vastgeplakt zat. Steeds verder voelde ze zichzelf wegzakken tot ze niet meer in staat was na te denken.

Een onbekende geur sloop in haar neus en trok haar uit haar diepe slaap. Om haar heen voelde het warm en ze opende haar ogen en zag dat ze in een zacht bed wakker werd. Ze ging overeind zitten en keek nieuwsgierig rond. Voor haar stond een man gekleed in een maillot en een opgeblazen, zwart pak met gele en rode linten eraan. Zijn glimlach ging van oor tot oor en hij draaide aan zijn dunne, zwarte snor en drukte een bord onder haar neus.
‘Eet maar.’ Zijn tanden waren blinkend wit met een spleetje ertussen. Bijna scheelkijkend keek ze naar hetgeen er op het bord lag, iets dat ongetwijfeld voedsel moest zijn, maar ze had geen idee wat het was. Een paar keer keek ze naar het bord en weer terug naar de man, zich afvragend waar ze was, wie ze was, wie hij was en wat het was dat op dat bord lag. Ze had zoveel vragen, maar durfde ze niet te stellen, uit angst weer teruggegooid te worden in de sneeuw, of erger, opgesloten in die ijzige gevangenis.
‘Toe dan, het is lekker,’ zei hij geruststellend en hij zette het bord op haar schoot. Gefixeerd bekeek ze het voedsel; het leek net een wafel van bloemen. Nieuwsgierig, maar ook twijfelend, pakte ze de wafel op en bracht hem langzaam naar haar mond om er een minuscuul hapje van te nemen. Het was een verrukkelijke combinatie van zoete en zure smaken die op haar tong prikkelden.
De gordijnen werden opengemaakt door de hofmaarschalk, waarna de zon haar bijna verblindde, maar ze kon nu wel de kamer goed bekijken. Het behang was bezet met roze bloemetjes op de ene helft, en was lentegroen op de andere helft. Tegenover haar scheen de zon fel naar binnen door de grote ramen die van de vloer, die bedekt was met een wit tapijt, tot het plafond reken. Voor het raam stond een zwart, houten ding dat gebogen was aan verschillende kanten en ervoor stond een krukje. Ze herkende het niet en was er erg nieuwsgierig naar. Terwijl ze at, bekeek ze het tafeltje naast het bed, waar een apparaat op stond dat tikkende geluiden voortbracht en waar elke zoveel seconden een wijzer van plek verplaatste.
De man kwam naar haar toe nadat hij even had gewacht bij het gordijn en geïntrigeerd uit zijn ogen te hebben gekeken. Het leek alsof hij haar, bij elke hap die ze nam, bestudeerde en zocht naar iets bekends.
‘Weet je waar je bent?’
Ze schudde voorzichtig haar hoofd, twijfelend of ze wel verder mocht eten.
‘Dit is het kasteel van de hertog, heer Ferdinand,’ zei hij en hij begon met een stoffer het kastje naast het bed zorgvuldig af te gaan. ‘We vonden je in de sneeuw, je lag buiten de stad, dat is echt vreemd. Niemand gaat ooit buiten de stad.’ Zijn stoffer ging langs alle hoekjes en gaatjes van het bed. Ze keek hem benieuwd aan en nam het laatste hapje van haar wafel.
‘Zeg … hoe heet je eigenlijk?’ vroeg de hofmaarschalk nieuwsgierig. Geschrokken van de vraag keek ze hem, nog kauwend, bedenkelijk aan.
 ‘Je hoeft niet te antwoorden hoor, als je dat niet wil.’ Hij rommelde wat in de zakken van zijn pak en haalde er een gouden belletje uit.
‘Wat was er met je gebeurd? Waarom lag je daar in de sneeuw, helemaal alleen?’ vroeg hij, terwijl hij het belletje heen en weer schudde. De deuren werden geopend en er kwam een dik, donker vrouwtje binnen met een enorme bos krullen.
Wederom keek ze de man aan, maar de behoefte om iets te zeggen kwam niet. Kon ze wel wat zeggen? Ze wist niet eens wat.
‘Durf je niet te praten?’ Tegelijkertijd wees hij met zijn vinger naar het bord waarna de dienstmeid die net binnengekomen was het oppakte van het bed en weer de deur uitliep.
De man bleef haar verbaasd aankijken en kwam dichterbij staan.
‘Je wilt echt niets zeggen, hè?’ Hij kwam naast haar op het bed zitten. Ze schudde nog een keer haar hoofd en wees toen naar het houten ding dat bij het raam stond.
De hofmaarschalk draaide zijn hoofd naar het ding en toen weer terug naar haar en glimlachte zachtaardig.
‘Hm … kom maar.’ Hij stond op en gebaarde met zijn handen dat ze op moest staan. Enthousiast pakte ze zijn uitgestoken handen beet en liet zich uit het hoge bed trekken. De beige nachtjapon streelde haar huid en de vloer voelde zacht aan onder haar voeten. Het was een heerlijk gevoel.
De hofmaarschalk liep met haar mee naar het ding. ‘Dit is een Piano. Ken je die?’ Haar hand liet hij los en hij duwde een houten beschermlaag op de piano omhoog waardoor er witte streepjes zichtbaar werden.
‘Kijk,’ hij ging met zijn vinger over de strepen. ‘Hier maken ze muziek mee. De vader van de hertog heeft hem ooit meegenomen van een andere planeet. Het is een eigenaardig ding, niet zoals de instrumenten die wij hebben.’ De man pakte het krukje beet, schoof het wat naar achteren en drukte op de strepen. Opeens hoorde ze een bekend geluid dat haar een warm gevoel gaf van binnen. Het leek net alsof de noten telkens als een hartslag op en neer gingen in haar oren.
‘Ga maar eens zitten.’ Hij trok haar naar het krukje toe en duwde haar naar beneden, daarna legde hij haar vingers op de strepen.
‘Toe maar.’
Ze drukte haar vinger omlaag en hoorde toen weer die mooie klank die ze daarnet ook had gehoord. Het voelde zo vertrouwd en klonk zo puur. Ze drukte nog meer toetsen in en nog meer en voelde het ritme tot op haar botten toe.
Muziek, het was mooi en vulde haar lege ziel.
Het geluid werd steeds weldadiger, omdat ze meer vingers gebruikte.
‘Wat …hoe kan dit? Hoe weet je hoe je dit moet bespelen? Het is nog nooit eerder iemand zo goed gelukt!’ riep de hofmaarschalk met zijn handen op zijn hoofd.
‘Dit is … prachtig, fantastisch!’ Zijn handen zwaaiden in de lucht en het leek alsof hij pirouettes van blijdschap aan het draaien was. Toen stormde hij de kamer uit.
De noten kwamen bij haar in haar hart en ineens begon ze zich weer dingen te herinneren. Deze kamer, ze kende hem al, deze piano, ze wist hoe ze hem moest bespelen, haar verleden.
‘Moet u zien!’ schreeuwde de hofmaarschalk en hij kwam binnen met een welgeklede, blonde man, waarschijnlijk de hertog. Beiden bleven ze achter haar staan, hun adem voelde ze in haar nek neerdalen.
‘Zou het kunnen …’ mompelde de hertog. Ze stopte heel even met spelen en keek naar hem om te zien wie het was die haar beoordeelde. Hij droeg een rood gestreept pak met een wit maillot eronder en had net zo’n gekrulde snor als de hofmaarschalk.
‘Speel maar door,’ beval hij en ze draaide zich weer om. Het gaf niet, want ze vond het erg fijn om het ding te bespelen. De man ging bij het raam staan voor de piano en keek haar streng aan. Telkens als ze de witte strepen indrukte zag ze hoe de noten als kleuren uit de piano schoten. Één van de verwelkte bloemen in de pot bij het raam begon weer te bloeien door de pastelkleuren van de muziek.
De mond van Ferdinand viel alsof hij door de zwaartekracht getrokken werd naar beneden. Met zijn ogen wijd open keek hij naar haar en voelde aan de bloemen in de pot.
‘Dit is …ongelofelijk! Breng haar naar buiten, onmiddellijk! En neem dat ding mee!’ riep hij overweldigend hard. Meteen kwam de hofmaarschalk in actie en ringelde weer aan zijn belletje. Nu kwamen er een aantal mannen door de deur heen gestormd als koeien. Ferdinand zelf hielp haar overeind van het krukje en escorteerde haar naar de deur, de mannen achter hen tilden de loodzware piano op. De hofmaarschalk galoppeerde voor hen en vertelde ze waar ze het naartoe moesten brengen.
‘Ik dacht dat het niet waar was, maar hij sprak toch de waarheid,’ vertelde de hertog terwijl hij naast haar liep. Voor haar zag ze een grote hal met overal tafeltjes met bloemen erop, aan de wanden grote ramen net als in haar kamer en in het midden twee trappen, één naar links en één naar rechts. Er tussenin hing een groot schilderij van een man.
Ferdinand wilde haar meenemen, maar ze bleef prompt stilstaan in het midden van de hal en keek aandachtig naar het schilderij. Iets in het gezicht van de man die erop stond herkende ze. Naast hem stond een vrouw, in een glanzende, gele jurk met glitters erop en een verentooi op haar haren.
‘Dat zijn mijn vader en moeder. Mijn vader bracht de piano mee van één van zijn verre reizen. Hij is tien jaar geleden gestorven. Ooit vertelde hij me dat hij niet eens van mijn moeder hield, maar van een andere vrouw. Hij wilde bij haar blijven, maar dat mocht niet, want hij was uitgehuwelijkt aan mijn moeder en daarom moest hij die vrouw verlaten.’
‘Guy,’ zei ze plotseling. De ogen van de man werden groter en zijn wenkbrauwen fronste hij.
‘Wat zei je?’ Hij bukte voor haar en keek haar geschrokken aan. ‘Hoe weet je hoe hij heet?’
‘Mijn geliefde,’ antwoordde ze en ze liep naar het schilderij en aaide het doek en zijn bladderende stukjes. Alle herinneringen kwamen langzaam weer op hun plek.
‘Dus het is waar, jij bent het! Jij bent diegene waar hij het al die tijd over had. De vrouw met de magische vingers,’ enthousiast pakte hij haar hand en trok haar mee door het kasteel de deur uit. Buiten was het koud, maar dat was niet wat haar opviel. Over het gehele terrein, dat zo groot was als vijftien kastelen, zat een waas die schitterde in de zon. Het leek op een schil van een doorzichtige appel, een luchtbel zoals je die in een bubbelbad had.
‘De beschermkoepel,’ zei hij en hij wees naar de bol die om het gehele stuk land heen zat.
‘Het beschermt ons tegen de sneeuw en de beesten.’ Toen keek hij naar haar terwijl ze rilde van de kou. De lakeien en bediendes kwamen naar buiten gestormd met de piano en extra dikke kleren die ze aan moest trekken, gelukkig hadden zij daar wel aan gedacht. Ze trokken een vest over haar heen en stopte haar voeten in dikke, leren schoenen.
De groep liep in zijn geheel naar het uiterste van de bol, waar de rand de bodem van de grond raakte. Daar zat een glazige deur. De hertog pakte een setje sleutels uit de zak van zijn pak en stopte er eentje in de deur en sloeg hem open. Nu werd het nog kouder en de ijzige wind kwam door de bubbel heen geblazen. Met moeite droegen de bediendes de piano door de grote deur en zette hem neer, net buiten de beschermde koepel.
‘Dit heb ik gedaan, hè?’ vroeg ze en ze keek naar de sombere sneeuwvlokken die uit de hemel neerdaalde op de bevroren grond.
‘Ja,’ antwoordde hij. ‘Er zijn geen bomen meer buiten de koepels. Niets is er nog over. Zelfs de dieren sterven uit.’
Ze knikte. Eindelijk begreep ze alles weer. Hoe lang het ook geleden was, nu was alles weer helder, zoals de glazen schil waar ze net uit was gekomen. Ze liep door de krakende sneeuw naar de piano, ging op het krukje zitten en drukte herhaaldelijk op de toetsen.
Het begon op te houden met sneeuwen, telkens als ze het ritme uit haar vingers liet vloeien, begonnen er steeds meer vlokjes te smelten voor haar ogen. De wolken verdwenen voor de zon die weer doorbrak en de sneeuw die langzaam plaatsmaakte voor een zachte zandgrond.
Haar geliefde die haar had verlaten voor een andere vrouw, althans dat dacht zij, was de reden voor haar tirannie op deze wereld. Zij had de oorlog verklaard met deze planeet, hem verwoest, besneeuwd en groenloos gemaakt. Uit verdriet was ze vergeten wat het leven was. De vreugde, de muziek, de dans. Haar verdriet was hetgeen dat haar opgesloten had in de ijzige gevangenis, gemaakt van tranen.
Grassprietjes ontsprongen uit de grond en bloemen begonnen weer te groeien. De bomen ontwaakten uit hun diepe slaap en de verdorde, bruine kleur maakte plaats voor een donkergroene gloed.
Nu was ze weer compleet. Hij had wel van haar gehouden.
Deze wereld zou zij weer goed maken, want het was haar schuld geweest dat hij zo was geworden. Al het leven groeide weer terug, binnen en buiten de koepel en de sneeuw en somberheid verdwenen van het land.
Toen kwam er een figuur uit de verte op hen afgelopen. Nieuwsgierig en oplettend bekeek ze de man die op haar af kwam. Zijn blonde baard en harige kleren hadden verraden wie hij was.
Ze stond op van het krukje en rende naar hem toe. Haar armen sloeg ze stevig om zijn middel en een traan ontglipte haar ogen.
‘Vader …’ zei ze zachtjes en hij aaide haar gezicht.
‘Je moest eerst je geheugen terug krijgen, voor je weer terug kon komen,’ zei hij en hij knuffelde haar stevig. ‘Kom, dan gaan we naar huis.’
Ze draaide zich nog eenmaal om naar de vriendelijke hertog en zijn bediendes. Haar glimlach was niet aan velen besteed en duidde aan dat zij hen erg dankbaar was voor de herinneringen die ze haar hadden teruggegeven.
‘Bedankt ….godin Freya,’ zei de hertog naar haar terwijl haar voeten van de grond loskwamen. De hofmaarschalk zwaaide lieflijk toen ze voor het laatst naar hem keek voordat ze in de wolken verdween.
Vrij.

 
;